Als we de algemene media mogen geloven is bijna al het water in Nederland van zeer slechte kwaliteit. Tijd voor een overzicht van feiten, discussies en beleid.

De ministeries van I&W en LNV hebben eind april een verhelderende middag georganiseerd voor de landbouwsector over waterkwaliteit. Wat ons opviel: de teneur was helemaal niet dat al het water er slecht aan toe is.

Er spelen twee wettelijke kaders voor de waterkwaliteit (Ministerie van I&W en LNV): de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Nitraatrichtlijn.

De KRW

De KRW omvat drie soorten doelen: chemische doelen voor oppervlaktewater (hele EU hetzelfde), ecologische doelen voor oppervlaktewater en doelen voor grondwater.

Voor de ecologische toestand van oppervlaktewater wordt gekeken naar biologische parameters (vissen, waterplanten, waterdieren en algen) en naar fysische chemische eigenschappen (waaronder nutriënten), overige verontreinigende stoffen en hydromorfologie. Te veel nutriënten (eutrofiering) leidt in stilstaand water tot te veel algen, waardoor het water troebel wordt. Dit wordt gemeten als totaal chlorofyl-a in combinatie met totaal N en P. Brussel en Nederland rapporteren wel ongeveer eenzelfde gemiddeld getal wat betreft waterkwaliteit, maar de verdeling over het land is volgens Stichting Agrifacts (STAF) verschillend. De definitie van eutroof is: wateren, waarin de biologische kwaliteitselementen (waaronder fytoplankton) minder scoren dan ‘goed’, zijn ‘eutroof’. De beoordeling op N en P is ondersteunend aan deze beoordeling, omdat N en P invloed hebben op de groei van fytoplankton. Maar ook andere factoren hebben invloed op de biologische waterkwaliteit, zoals andere stoffen of watertemperatuur.

Voor grondwater wordt gekeken naar de kwantitatieve toestand, chemische stoffen en de uitwisseling met oppervlaktewater. Voor gewasbeschermingsmiddelen is de norm 0,1 µg/l per middel en totaal 0,5 µg/l en voor N 50 mg NO3/l.

Brussel gaat voor de beoordeling van de oppervlaktewaterkwaliteit uit van ‘one out, all out’, d.w.z. dat als één ding niet goed is, het water niet goed is. Zo is in Nederland maar 20% van het water ‘goed’, maar is voor bijvoorbeeld vissen een kleine 70% van goede kwaliteit.

Nederland heeft zelf besloten om bij de beoordeling van de toestand voor de KRW, het kwaliteitselement ‘nutriënten’, bepaald met N en P, de regel ‘one in, all-in’ te hanteren, dus als het voor P óf N goed is, is het goed.

Nitraatrichtlijn

De Nitraatrichtlijn is ingevoerd in 1991 en is gekoppeld aan de KRW. De Nitraatrichtlijn gaat om nitraat in grondwater en om eutrofiëring (zie boven) van oppervlaktewater. De KRW is een doelenrichtlijn, die beschrijft wat moet worden bereikt. De Nitraatrichtlijn is een middelrichtlijn en schrijft dus voor wat u moet doen om de doelen te behalen. Dat zorgt ervoor dat de Actieprogramma’s ook middelenvoorschriften zijn, met alle (soms onzinnige) gevolgen van dien.

Metingen

RIVM verzamelt gegevens met verschillende meetnetten, waarvan sommige alleen op landbouwbedrijven. Het Landelijk Meetnet Effecten Mestbeleid (LMM) meet op 450 landbouwbedrijven de waterkwaliteit van het bovenste grondwater, slootwater, drainwater of bodemvocht. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen het type bedrijf en de grondsoortregio. Daarnaast is er het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG) met 350 dieper gelegen punten waarvan zo’n 220 in landbouwgebied. Er is een meetnet van drinkwaterbedrijven om grondwaterkwaliteit bij drinkwaterwinningen te monitoren (REWAB). Ook hebben waterschappen en RWS een meetnet voor uitspoeling van nutriënten uit de landbouw naar het oppervlaktewater (MNLSO) en een KRW-meetnet dat de oppervlaktewaterkwaliteit van heel Nederland monitort.

Over de metingen loopt recent een discussie. STAF stelt, dat aan Brussel alle punten uit het meetnet grondwaterkwaliteit en het KRW-meetnet oppervlaktewaterkwaliteit worden gerapporteerd, zonder aan te geven welke van die punten landbouw gerelateerd zijn. Daarom zou Brussel álle metingen aan de landbouw toeschrijven, wat niet terecht is. STAF baseert zich op documenten uit een WOO-verzoek, waaruit blijkt dat in de dataset die Nederland afleverde in Brussel geen onderscheid is gemaakt naar landbouw, stedelijk en overig, maar het RIVM en minister Adema geven aan dat in de Nitraatrapportage dit onderscheid wel degelijk wordt gemaakt. Hoe zit dat nu?

Waterkwaliteit voor nutriënten al veel beter

Als we nu tenslotte kijken naar de gemeten waterkwaliteit in de detailrapportage van PBL uit 2020, dan blijkt deze sterk verbeterd in de afgelopen 30 jaar. Recent stokt de afname van nitraat, totaal- N en totaal-P, maar voor veel bedrijven op klei en veengrond worden de grondwaternormen van nitraat gehaald, hoewel de droogte van de afgelopen jaren overal tot een stijging van de concentraties heeft geleid. Wat ons opvalt, is dat de normoverschrijdingen op zand met name optreden op het zuidelijk en oostelijk zand en nauwelijks op het noordelijk zand. Het percentage landbouwbedrijven met normoverschrijding is sinds 1992 sterk afgenomen.

Voor oppervlaktewater wordt met name in de klei- en veengebieden en het zuidelijk en oostelijk zandgebied de status ‘goed’ nog niet bereikt. De inspanningen die nu van u gevraagd worden in het 7e Actieprogramma, addendum en derogatiebeschikking zijn om de laatste verlaging die nog nodig is om aan de KRW-doelen te voldoen, te halen.

Vragen NAV

Als we alle informatie bij elkaar bekijken hebben we vooral nog veel vragen. Waarom wordt er niet meer onderscheid gemaakt in het maatregelenpakket voor gebieden met een ‘grote’, een ‘beperkte’ of ‘geen’ opgave volgens het Addendum 7e AP? Waarom bijv. al die bufferstroken in noordelijke klei terwijl daar volgens het Addendum (=LNV) geen opgave is? Hoe wordt de verzilting meegenomen in de beoordeling van ecologische kwaliteit? Wordt de waterkwaliteit afgekeurd op andere gronden dan landbouw-oorzaken en wat wordt daar dan aan gedaan? Hoe verhouden de ver voerende maatregelen in de landbouw zich tot lozingen van PFAS en andere stoffen wat nog jaren door mag gaan? Hoe zit het nou precies met meetmethoden en met wat er aan Brussel wordt geleverd?

 Conclusie NAV

De NAV vindt dat het besluit uit 1992 om heel Nederland als één nitraatgevoelige zone aan te wijzen, omdat de waterkwaliteit voor grondwater en oppervlaktewater overal slecht is, aan herziening toe is. Dat zou betekenen dat niet in alle gebieden verdere maatregelen nodig zijn en dat in de overige gebieden niet alle maatregelen even streng hoeven te zijn. De argumenten van LNV, dat de bijbehorende verplichting tot elke vier jaar rapporteren te veel werk is en dat de waterkwaliteit nog in te weinig gebieden op orde is, wegen niet op tegen de beperking van de voedselproductie nu in gebieden waar de waterkwaliteit al redelijk tot goed is. De gekozen maatregelen moeten wel bewezen effectief zijn, wat bijv. voor brede bufferstroken op gedraineerde klei betwijfeld kan worden.

De aanwijzing van drie waterschappen als ´nutriënten verontreinigd´ (NV) zou wat ons betreft ook moeten worden gesplitst in regio’s binnen de waterschappen. Het is nog niet duidelijk wat de gevolgen van deze aanwijzing zijn voor akkerbouwers.

De NAV vindt dat de ministeries wel eens wat positiever zouden kunnen communiceren over de sterk verbeterde waterkwaliteit. Alle alarmistische geluiden over vreselijk slechte waterkwaliteit blijken vooral veroorzaakt door de kwalificatie ‘slecht’ als er één stof of factor niet goed is. Als datacenters zorgen voor temperatuurverhoging van het water kan dat ook al tot het predicaat ‘slechte kwaliteit’ leiden. Niet alles komt door de landbouw en wij kunnen niet oplossen wat we niet veroorzaken.

Tenslotte is het vreemd dat de normen voor oppervlaktewater in België en Duitsland hoger zijn dan hier (4 i.p.v. 2-3 mg/l). Dus het rivierwater komt hier al met een hogere norm binnen.

Al met al zijn we op de goede weg met waterkwaliteit. De laatste loodjes wegen het zwaarst. De middelvoorschriften uit het 7e AP zijn wat ons betreft niet de beste manier om de KRW-doelen te gaan halen. Doelsturing per bedrijf is juist nodig in plaats van middelvoorschriften op basis van kalenderlandbouw!